Van Vlas tot Linnen

Vlas (Linum usitatissimum) is een gewas dat al sinds mensenheugenis verbouwd wordt. De mens weet al meer dan tienduizend jaar dat deze gulle gift van de natuur aan de basis ligt van stoffen met heel bijzondere eigenschappen: het voelt aangenaam zacht aan, is uitstekend te verven, gaat jaren mee en biedt een weergaloos comfort. Daarenboven loopt vlas, en alle afgeleiden daarvan, als een rode draad door de geschiedenis van Zuid-West Vlaanderen. Van in de 13e eeuw hebben de commercieel ingestelde West-Vlamingen de mogelijkheden van vlas ingezien en ondanks alle tegenslagen zijn zij dat tot op de dag van vandaag blijven doen. In hun successen heeft de Leie – en in mindere mate de Mandel – onmiskenbaar een grote rol gespeeld. Toch mag het nooit aflatend streven naar vakbekwaamheid en de onvermoeibare inzet van de boeren en vlassers in het Kortrijkse niet over het hoofd worden gezien.

Zonder de Leie waren de resultaten (misschien) iets minder geweest: ze hebben inderdaad nogal láát de noodzaak aan modernisering van het ganse bedrijf ingezien, maar al bij al hebben ze de kansen op een creatieve manier benut en zijn ze eeuwenlang blijven knokken om er hun boterham mee te verdienen.

In het vestigen van de faam van onze landelijke vlasindustrie, die van de 16e tot de 19e eeuw Vlaanderens hoofdindustrie mag worden genoemd, heeft de Leiestreek haar sporen meer dan verdiend. Alvast één ding is zeker: in een vlas-context zal de naam Kortrijk – mét haar Golden River – ook internationaal altijd een “begrip” blijven. Vandaag de dag is vlas een van de weinige natuurlijke vezels die nog op grote schaal in West-Europa worden verbouwd: jaarlijks wordt vlas geteeld op een oppervlakte van 85.000 ha. in Zuid-Nederland (Zeeuws-Vlaanderen), België en vooral Noord-Frankrijk (Doudeville in Normandië is er de “capitale du lin”). De weersomstandigheden in onze contreien zijn dan ook ideaal voor het verbouwen van vlas. Het feit dat de vraag naar linnen wereldwijd toeneemt, betekent ook dat het verbouwen van vlas een lucratieve aangelegenheid is.

Hieronder gaan we verder in op de verschillende stappen die verbonden zijn aan het verwerken van vlas vanuit een historisch oogpunt.

1. Het zaaien
De keuze van geschikt lijnzaad (= vlaszaad) is van primordiaal belang voor een geslaagde vlasoogst. Goed zaad is sterk oliehoudend. Daarom gebruikte de vlasboer een heel eenvoudig truukje: in een zak goed lijnzaad kon hij zijn arm moeiteloos tot de elleboog inschuiven, terwijl hij in een zak minderwaardig dof zaad hooguit tot de pols kwam. Tegenwoordig worden

op de gespecialiseerde markten geselecteerd veredeld vlaszaad, gestaafd met allerlei certificaten, aan de man gebracht. In wezen zijn er oneindig veel rassen en variëteiten in vlas, maar naargelang hun kwaliteiten en rendement kan men ze in twee categorieën indelen: witbloemig vlas geeft grovere vezels en meer afval, maar is méér resistent en dus ideaal voor minder goed vlasland. Blauwbloemig vlas daarentegen geeft fijnere vezels, maar vereist ook de beste gronden, want is heel wat minder bestand tegen allerlei vlasziektes en wordt vlugger verstikt door onkruid. In de Moderne Tijden werd quasi uitsluitend inlands zaad gebruikt, waarbij de plant een maximale lengte van een halve meter kon bereiken. Sinds 1800 kon men de lengte opdrijven tot één meter door het invoeren van Russisch “Riga-tonnezaad”, zo genoemd omdat het via Riga werd verscheept, verpakt in tonnetjes van 80 kg. Dit zaad had echter ook negatieve kanten: het was vrij duur en bevatte veel onkruidzaden. Het eerste euvel werd afgezwakt door het jaar daarop te zaaien met het lijnzaad, opgebracht door de eerste oogst. De resultaten van het zaaien met een dergelijke "natonne” waren doorgaans nog beter, maar men mocht niet overdrijven. Wanneer men een “derde smete” uitprobeerde, zijnde het uitzaaien van het bekomen zaad uit de natonne-oogst, moest men zich tevreden stellen met een mindere kwaliteit van vlas wegens degeneratieverschijnselen.

2. Groei van de vlasplant
De groeicyclus van de vlasplant is kort. Tussen het zaaien in maart en de oogst in juli verstrijken amper 100 dagen. De plant is tegen eind juni volgroeid en dan inmiddels goudgeel gekleurd. Daarna begint de bloei, die de vlasvelden fraai blauw, wit en lila kleurt. Dit schouwspel is echter van korte duur omdat elke vlasplant slechts één dag bloeit.

3. Het slijten of oogsten:
Als eerste gewas dat volgroeid is, luidt vlas voor de boeren het oogstseizoen in. De vlasherels (= stengels) worden niet gemaaid maar uit de grond getrokken. In Vlaanderen noemt men dit “slijten”, elders spreekt men van “trekken” of “plukken”. Meestal is een vlaschaard “rijp” tussen 1 en 15 juli, wanneer de stengelblaadjes bruin worden en afvallen. Het oogsten moet dan zo vlug mogelijk afgewerkt worden, zoniet dreigt het gevaar dat de zaadknoppen overrijp worden en open springen, met veel nutteloos verloren zaad tot gevolg.

Tot kort voor de Tweede Wereldoorlog gebeurde het slijten manueel: een zwaar labeur gezien men dat in gebogen houding moest doen, waarbij men bovendien nogal wat kracht nodig had om de stengels uit te rukken. Met beide handen en een korte ruk werden “poten” vlas uitgetrokken en opgestapeld tot “slijtbondels” op de linker voorarm. Steeds werkte men in ploeg, waarbij een voorman het tempo bepaalde. Elke slijter kreeg een eigen strook toegewezen en mocht de anderen niet hinderen:

hij moest “zijn bane houden“! Opdat de oogst vlug en vlot zou verlopen, wierf de boer meestal zoveel mogelijk volk aan. Vóór dag en dauw stuurde hij “roepers” uit, die in het dorp de aangeworven slijters gingen wekken, want het slijten begon reeds om drie uur ’s nachts. Mannen en vrouwen werkten samen: de mannen rukten uit, vrouwen stapelden de slijtbondels.

Vermits slijten een dure zaak was voor de boer, werd reeds vlug gezocht naar een geschikte machine. Maar mechanisch slijten heeft een lange evolutie gekend. De ontwikkeling ervan bleek niet evident, gezien vlas moet worden getrokken in plaats van gemaaid. Rond 1918 verschenen de eerste prototypes in Ierland en Amerika, maar de resultaten bevredigden niet. Het waren tenslotte Vlamingen die tussen 1923 en 1935 handige slijtmachines op punt stelden, die een doorbraak van het oogsten konden forceren. Een goede machine slijt gemiddeld 5 ha per dag. Momenteel experimenteert men met totaal nieuwe procédés: men sproeit het vlas dood drie weken voor het slijten, zodat het na het oogsten onmiddellijk zonder roten kan gezwingeld worden.

4. Drogen:
Onmiddellijk na het uittrekken, werden de stengels op de grond gelegd gedurende een paar uren, zodat ze konden opstijven. Men noemt dit “weren”. Deze korte droogbeurt was nodig opdat men het vlas zou kunnen “hagen” voor verdere droging. Dit hagen was een hele kunst, want de wind moest erdoor kunnen spelen zodat ook de binnenste vlasherels optimaal konden drogen. Terwijl het slijten nog volop bezig was, plaatsten de “hagers” de vlaschaard vol kegelvormige constructies, bijeengebonden net onder de zaadbolletjes. Na een tiental dagen was het vlas voldoende “geteerd” (= droog) om te worden gebonden en gestapeld. Van enkele handvol vlas werden bundels verzameld en samengebonden met stro. Daarna werden ze gestapeld in zogenaamde “mijten”, nog steeds op de akker zelf, zodat het vlas verder kon “uitzweten”.


5. Roten en keren:

Een vlasstengel bestaat uit een holle houtpijp, “ leem” genoemd, waarrond een 30 à 40-tal vezelbundels liggen, ingebed in een kleverig pectinelaagje en beschermd door een schorsachtige bast. Na het drogen wordt het vlas blootgesteld aan vocht om deze pectine af te breken die de vezels bijeenhoudt. Dit is het roten.

Er bestaan 4 verschillende manieren om vlas te roten:
1. Veldroten: De primitiefste, maar ook eenvoudigste is het “veldroten”: het vlas wordt, onmiddellijk na het slijten en nog niet ontzaad, op de akker opengespreid om te drogen. Daarna wordt het gerepeld, gebonden en gestapeld in afwachting van de gunstigste veldroot-periode, nl. september – oktober. Het vlas wordt opnieuw op de akker uitgespreid ; verder laat men dauw, regen, zon en wind de klus klaren, in combinatie met een woekerschimmel, die spontaan optreedt. Het proces duurt drie tot zeven weken naar gelang de weersomstandigheden. Men moet het vlas wel op tijd en stond keren, zodat de roting gelijkmatig kan gebeuren en de onderkant van de vezels niet gaat rotten. Ondanks alle evoluties die het roten heeft gekend, wordt dit proces sinds de jaren zestig opnieuw massaal toegepast omdat het veruit de goedkoopste manier van werken is, het minst vervuilend is en het vlas, hoewel iets minder van kwaliteit, op deze manier de concurrentie van lage loonlanden en synthetische vezels beter weet op te vangen. Bovendien is ook het rendement aan “vezellint” het hoogst: de minder mooie kleur van de vezel wordt met moderne bleekprocédés weggewerkt. Het nadeel dat de vlasboer zijn akker wekenlang niet kan gebruiken om er een ander gewas op te zaaien, evenals 20 à 80 % zaadverlies, wordt hooguit als een noodzakelijk kwaad ervaren.

2. “Blauwroten”, ook “modderroting” genoemd, in stilstaand water van een gegraven put of een afgedamde gracht ging vlugger: het proces voltrok zich in één à drie weken tijd, meestal onmiddellijk na het slijten. Deze rootwijze is ondertussen al lang achterhaald, vermits men ondervond dat roten in stromend water betere vezelkwaliteit gaf. Nochtans heeft deze manier van werken in alle vlasstreken ter wereld eeuwenlang stand gehouden: omdat het minder duur was dan roten in stromend water

reserveerde men de methode voor vlas van mindere kwaliteit. In het Land van Waas was het zelfs dé specialiteit. Het procédé leverde immers zeer fijn, zijdeachtig blauw-grijsachtig gekleurd “Lokers vlas”, dat gemakkelijk kon gebleekt en gesponnen worden. Meestal werden hiervoor kleine vierkante rootputten gegraven van zo’n meter diep, waarbij elzenstruiken aangeplant werden op de oevers. Het looizuur van deze plant neutraliseert de roestverwekkende invloed van eventuele tevelen aan ijzer in het water, en bepaalde tevens de zilverblauwe kleur van het vlas. Soms werd aan het water ook roet of bitter toegevoegd om “zwart vlas” te bekomen, fel gegeerd in Frankrijk voor de aanmaak van zwart garen. Het vlas werd, in bundels gebonden, in lagen boven elkaar gestapeld en afgedekt met speciaal daarvoor uitgestoken graszoden die de lading onder water hielden en in eerste instantie verantwoordelijk waren voor de blauw-grauwe schijn van de vezel. Het rootproces bij blauwroot begint vlugger omdat de gistingsmateries niet afgevoerd worden en de temperatuur van het water doen stijgen.

3. Aan roten in stromend water werd al vanaf de Middeleeuwen de voorkeur gegeven omdat dit een betere vezelkwaliteit gaf en het hele rootproces slechts 7 à 10 dagen duurde. Vooral de Leie en haar bijrivier de Mandel waren voor deze rootwijze uiterst geschikt. De methode bewerkstelligde een heel aparte licht goudgeelachtige kleur. Het specifieke Leiewater gaf ook een grote mate van soepelheid én stevigheid, waaraan de Golden River vanaf de Franse grens

tot Astene haar naam te danken heeft. Men rootte doorgaans vlas dat overwinterd had in de schuur: de werkzaamheden vatten aan in mei, duurden tot oktober en werden voorbehouden voor de betere kwaliteiten gezien de dure kostprijs van deze rootwijze (vier maal méér dan blauwroot). Iedere vlasser of Leieboer had op de oevers van de Golden River (= Leie) zijn eigen “aard”

(= een strook oever waarop het roten werd verricht) en rootte met eigen materiaal. Over de hele lengte waren eiken paaltjes aangebracht, waaraan men de “hekkens” met kettingen kon vastleggen.

Deze bakken waren aanvankelijk een soort open plankenkooien, waarvan de wanden het uitzicht hadden van weidehekkens en waardoor het water vrij kon stromen. Later evolueerden deze kooien tot meer gesloten bakken, om de riviervervuiling wat tegen te gaan. Uiteraard werden ze nog steeds voorzien van een brede gleuf onderaan om het uitzinken van het rootwater mogelijk te maken. Roten in gesloten bakken vereiste echter een tweede rootbeurt, waarbij de vlasbundels omgekeerd gestapeld werden, vermits het proces minder snel en onregelmatiger verliep dan in open kooien.

4. Het kunstmatig warmwaterroten tenslotte was een rootwijze waar reeds mee geëxperimenteerd werd vanin de 18e eeuw, maar dat in Vlaanderen pas ingang vond rond 1900 en dan nog buiten de feitelijke

Leiegemeenten. Onmiskenbaar had dit warmwaterroten voordelen, vermits men niet langer afhankelijk was van het klimaat, de nabijheid van de Leie niet meer vereist was, voor vlassers die niet aan de Leie woonden de hoge vervoerkosten wegvielen en men derhalve het monopolie van de grote Leieboeren kon doorbreken. Uiteraard ontketenden deze boeren, die in paniek sloegen, een ware hetze tegen het nieuwe rootsysteem en het zogenaamde “puttevlas”. Potentiële kopers van gezwingeld vlas werden op de markten gewaarschuwd: opgelet, ’t stinkt: ’t zijn putten!

Het duurde zelfs tot na de Eerste Wereldoorlog vooraleer men in de Leiestreek, nadat vergelijkingstests steeds meer in het voordeel van het warmwaterroten uitvielen, schoorvoetend overstapte op het nieuwe procédé. De eerste rootputten waren betonnen bakken die haast volledig onder de grond gebouwd werden, maar het principe verschilde in feite niet zoveel van het roten in de Leie.


6. Brakelen en zwingelen:

De vezels, die bovenop de houtpijp liggen, werden losgeweekt bij het roten. Een optimale verwijdering ervan vereiste echter het doorbreken van de houtpijp in kleine leemstukjes. Men noemde dit “brakelen”. Brakelen was de voorbereiding tot het “zwingelen”: hierbij werden de laatste lemen, die na het brakelen nog tussen de vezels hingen, eruit geslagen. In de oudste tijden gebeurde dat aanvankelijk met een stok; nadien kwamen handiger werktuigen in voege: de zwingelspaan, de sterremolen en tenslotte de industriële zwingelmachines.


Uit 100 kg ruw vlas haalt men via het brakel- en zwingelproces gemiddeld 12 kg vlaslint, 8 kg klodden, 40 kg lemen. De rest van het gewicht wordt bepaald door 12 kg zaad, 10 kg hippenkaf en 18 kg verloren gewicht bij het roten en het drogen. Afval van het zwingelen werd echter wél als waardevol beschouwd, want kon als extraatje worden verhandeld. Zowat alles werd gerecycleerd. Uit “ruwe kroten” (= synoniem voor klodden, doch veelal gebruikt voor de “vuilste” klodden) werden de vezels gerecupereerd door ze in de “duivel” of “bulder” te schieten. Zwingelen, vooral van klodden, was lastig en ongezond. De krotenzwingelaar moest de klodden voortdurend opentrekken en schudden, wat zeer veel stof gaf.

De kloddenzwingelaars lieten door de band een dikke snor groeien, droegen grote “klakken” en kauwden ononderbroken op een “sjieke toebak”, waarin het stof vermengd werd en die ze konden uitspuwen. Pas in de jaren twintig werden de eerste kloddenmachines op de markt gebracht, wat voor heel wat verbetering zorgde.


7. Hekelen De laatste bewerking die het vlas moest ondergaan om klaar te zijn voor het spinnen en weven, was het “hekelen”. De bedoeling was de vezelbundels te splijten en het feitelijke vlaslint (= spinklare vezels, ook lont of band genoemd) te scheiden van het zogenaamde “werk” (= te korte stugge vezels voor het spinnen van kwaliteitsgaren maar wel bruikbaar voor het vervaardigen van ruwere garens). Bovendien werd het vlas op die manier finaal gereinigd en werden de vezels parallel geschikt, zodat spinnen mogelijk werd. Bij deze bewerking bekwam men gemiddeld 55 % bruikbaar lint, 40 % werk en 5 % afval (= stoppe). Bij het feitelijke hekelen werd het “werk” afgetrokken met behulp van een “vlashekel”, al dan niet vastgeschroefd op een plank of bank ; men wisselde van hekel, steeds fijner, naarmate het werk vorderde.

8. Verkoop aan spinners: Het gezwingeld vlas werd door spinners of wevers opgekocht per “steen”, ca. 3 kg. Elke vlasstreek had daarvoor haar eigen lokale vlasmarkten en een centrale markt. In het Waasland was dat tijdens de 19e eeuw Sint-Niklaas: de markt trok veel Engelse kopers aan, die het “blauw vlas” massaal aankochten voor de eerste mechanische spinnerijen in Engeland en het verscheepten via Antwerpen. Nadien ontdekten zij het “witte Leievlas”, waarvoor Kortrijk als centrale markt diende. Omdat de Engelsen steeds op zoek waren naar de beste vlassoorten voor hun steeds maar beter wordende machines voor extra fijne garens, droeg het Leievlas vlug hun voorkeur weg. (De Belgische spinnerijen haalden die fijnheden niet en gebruikten dan ook liever het minder dure blauw vlas.) Vanaf 1830 werd Kortrijk stilaan hét centrum van de internationale vlashandel: op marktdagen bezochten de agenten van spinnerijen of van exporthuizen de vlasmagazijnen van zwingelaars, ofwel kochten ze rechtstreeks “ te lande” bij de grote vlasboeren. Het waren steevast zeer goede vlaskenners, onberispelijk gekleed in een witte kiel met bijpassende witgele strohoed ; ze wisten welk vlas voor bepaalde “garennummers” geschikt was en konden goed de spinkwaliteiten van het vlas vaststellen. Daarnaast opereerden er “botenkopers”, die vlas opkochten en doorverkochten aan spinnerijen.


Bronnen:
1. Ethesis van Annik Adriaenssens: “Bethune & fils – Linnenhandel Kortrijk, 1735-1856. Voorbereidend onderzoek ter ontsluiting van het handelsarchief, bewaard op het kasteel De Bethune te Marke”.
Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, voor het behalen van de graad van Licenciaat in de Geschiedenis. Academiejaar 1999-2000. Universiteit Gent.

2. www.beeldbankvlas.be

3. http://nl.wikipedia.org/wiki/Vlas